Folkert de Haan
FOLKERT DE HAAN
2 september 1932 Sneek
19 oktober 2010 Zuidhorn
Folkert was het tweede kind van Jan de Haan en Grietje Dragstra.
Het eerste kind was een meisje met de naam Martha, waarschijnlijk vernoemd naar haar tante die geëmigreerd is naar Canada en stierf met ongeveer 90 jaren.
Toen Folkert opgroeide in Sneek, realiseerde hij zich pas, dat na hem alleen meisjes werden geboren:
Na hem kwamen Fopkje, Sybregje, Titie, Jannie, Lena en Grietje.
In de oorlog 1944 werd een jongetje geboren ook in Sneek.
Het was Jan Thijs .
Hij kreeg de naam van zijn opa Jan Dragstra en zijn oom Thijs, die verdronk toen hij 24 jaar was.
Vader de Haan geloofde niet meer in een elfde kind.
Daarom kreeg Jan Thijs een dubbele naam, namelijk van zijn verdronken oom.
In het jaar 1946 kwam toch het elftal tot stand.
Er kwam een derde jongetje met de naam Thijs
(ook ter ere van Vaders verdronken broer Thijs.
Een tweede naam werd Theunis, een broer van moeder De Haan- Dragstra)
Bij het tweede jongetje werd door vader De Haan tegen Folkert gezegd dat hij heel blij was, omdat er dus nog een broertje kwam met wie hij kon spelen.
Folkert was al 12 jaar en zag niets meer in dit speelkameraadje.
Hij zei tegen zijn vader, dat hij al te lang had gewacht.
Hij had er nu niks meer aan.
Vader was erg beledigd en nam Folkert zijn reactie erg kwalijk.
Zeker vond Folkert het wel iets voor zijn zusters.
Ze konden de jongens lekker verwennen.
Omdat Martha het moedertje spelen niet interessant meer vond, werd Thijs gekoppeld aan Zus
(zij mocht als de een na oudste eerst kiezen en wenste de jongste).
Jan Thijs kreeg Sybregje als reserve- moeder.
Toen Folkert met zijn vader bij de wieg stond van het tiende kind en zijn teleurstelling uitte, kreeg hij van vader een oorvijg.
De teleurstelling is bij Folkert wel diep geweest.
Later liep het heel anders, dan Folkert had verwacht
In de oorlog was er in de straat een razzia in de straat van de familie De Haan.
Vader had geweigerd met Friesch Dagblad te werken voor de Duitsers.
Er bleek tijd over om een boek te schrijven.
Het boek was “De Friese Kurassier” dat speelde in de Franse tijd.
Je kon de inhoud van dit boek met gemak vergelijken met de oorlog van 40- 45.
Het manuscript werd in het huis van de Haantjes verstopt in de naaimachine van moeder.
Later als leraar van de mavo in Noordhorn schreef Folkert voor de schoolkrant “Door dik en dun” het verhaal:
RAZZIA
Vader is journalist.
Al in het begin van de oorlog wordt de krant, waarbij hij werkt verboden.
Die mensen willen niet schrijven, wat de Duitsers willen.
En zo op een dag zit vader thuis.
Hij heeft geen werk meer.
De krant komt niet meer uit.
Hij zit thuis……
Zijn salaris krijgt hij wel.
Gelukkig maar.
Vader zit vaak te studeren.
Dag in dag uit.
Ook geeft hij les.
Hij kerft ook tabak bij een vriend van hem.
Hij is ouderling in de kerk.
En vaak in de middag schrijft hij.
In groene schriften of op kladblokvellen.
Bij een waxinelichtjes, dat op een jampot op water drijft.
Elektrisch licht is er niet.
Vader kan zijn schrift dan niet lezen.
In de rest van de kamer is het dan meer dan donker dan schemerig.
Hij schrijft verhalen.
Over de oorlog, over de Duitsers.
Ook over Napoleon die hier vroeger de baas was.
Over de onderdrukking van toen.
Dat verhaal heeft veel bekends.
Het gaat over vreemden die hier de baas waren.
Over mensen die moesten onder duiken.
Vader mag niet schrijven.
Geen artikelen en geen boeken.
Of, hij moet lid worden van de Kulturkammer en dat vertikt hij.
Hij schrijft stiekem.
De oorlog zal toch wel eens afgelopen zijn?
Dan kan hij zijn boeken weer doe uitgeven.
Dan kan hij weer voor de krant schrijven.
Hij bewaart de volgeschreven bladzijden in een ruimte onder de naaimachine.
Hij zegt meermalen, dat, als er Duitsers zouden komen, wij vooral niet naar die naaimachine moeten kijken.
Dat zullen we vast niet doen……….
De hanen en collega's 008
Razzia……
Onze straat is afgezet.
Zo maar op een middag.
Opeens zijn er Duitse soldaten.
Je mag het huis niet uit.
Niemand mag de straat in of uit.
Het loopt tegen de avond.
En opeens staan ze bij ons in de kamer, lopen het hele huis door, halen de kasten leeg.
Alles ligt al gauw overhoop.
Dat gaat snauwend en vloekend.
Wij zitten stil in de achterkamer.
Vader, moeder, mijn oudste zussen en ik.
Ze vragen niets die soldaten.
Ze zijn er alleen maar, dreigend en snauwend.
Alles wordt door de Duitsers doorzocht.
Waar ze naar op zoek zijn?
Wellicht onderduikers, Joden misschien, naar fietsen of radio’s.
Vader moet zijn papieren laten zien.
Hij heeft een Ausweis.
Als je dat hebt, hoef je als werkloze niet naar Duitsland om te werken.
Zwaar stampen de Duitse soldaten de achterkamer uit, de schuur in.
Door het raam zie ik ze ook de tuin in gaan.
Een soldaat stapt op mijn konijnen-hokken af.
Het flitst door mij heen.
Hij zal toch niet….?
Snel spring ik van mijn stoel en sta nu in het duistere gangetje, dat naar schuur en tuin loopt.
Vader roept iets.
Als ik nog net de grote soldaat daar ontwaar in het schemerdonker is het al te laat.
Met een ferme schop van de soldatenlaars onder mijn zitvlak lig ik een paar tellen later verbluft en languit over de kamervloer vlak voor de stoel waarop mijn vader zit.
Nog verbaasder kijk ik nu……
Vader doet nog steeds, wat hij ons verboden heeft.
Hij staart onafgebroken naar de naaimachine……
Twee jaar geleden ben ik er achter gekomen.
Vader moet toen goed in zijn rats gezeten hebben.
Dat ene boek over de tijd van Napoleon – voor wie je net zo goed Hitler kon lezen – had hij in het laatste oorlogsjaar toch laten drukken.
Stiekem.
Door een uitgeverij die niet bestond.
Folkert de Haan (Ouwe Haan)
(DIK EN DUN 1985 Schoolkrant MAVO)
Noordhorn
Vader schreef vlak na de oorlog in het Fries “FEN BÛGJEN FREMD”.
Het werd uitgegeven in 1945 bij Utjowerij Koster in Sneek.
.jpg)
Reacties
Een reactie posten