Fré Schreiber, bekende van broer ThijsTeunis
Moi Jan Thijs
Een papieren brief, ik kon je e-mail niet vinden, maar je adres wel.
Ik ken je een beetje, maar ik ken je broer Thijs beter.
Daar zat ik bij in de klas op de Bavinck-ulo in Groningen en in de eerste klas van de Christelijke Kweekschool.
Ik ben wel eens bij jullie thuis geweest op Thijs zijn verjaardag in Groenedaal in Groningen.
Hij was net als ik toen een fan van de zaterdag Harry Belafonte.
Dat vergeet je niet weer.
Maar, waarom ik je schrijf.
In 1949 kwam bij uitgever Jan Haan in Groningen een zondagsschoolboekje uit met de titel DE DOLLE JONKER.
Dat ging over de watergeus uit ons dorp Middelstum Barthold Entens.
Er was altijd veel vraag naar het boekje.
Nu ben ik van plan dat boekje in het Gronings te vertalen.
Maar ik wil het wat breder trekken.
Ik wil ook iets vertellen over de schrijver, de illustrator, de zondagsschool, de boekjes en de uitgever.
Ik kan wel het een ander vinden over Jan Haan op internet, maar jij hebt zoveel geschreven, daar heb je vast eens iets over gepubliceerd.
Als dat zo is, zou ik je willen vragen, of ik dat dan mag gebruiken.
Natuurlijk met bronvermelding.
Dat zou mooi zijn.
Daar wordt het boekje rijker van.
Met vriendelijke groeten en hartelijk dank.
Fré Schreiber
fcschreiber@hetnet.nl
Ploegersweg 11, 9991CA, Middelstum

Titel: De dolle jonker
Auteur: H. Hofman
Illustrator: Henk Poeder
Uitgever: Jan Haan N.V., Groningen
Henk Poeder Illustrator
Henk Poeder illustreerde het boek 'DE DOLLE JONKER'
HET KOLENSCHIP VAN VENLO
Jan Haan N.V. Groningen
illustraties H.K. Poeder
Voorbeeld uit "Het kolenschip van Venlo"
Het verhaal over POEDER
HENK POEDER
Van dit kwartje per week mocht hij zelf een stuiver houden.
Hiervan kocht hij telkens voor een halve stuiver zijn eerste olieverven en penselen. Het andere materiaal vervaardigde hij zelf.
Een palet sneed hij uit een dunne plank en een paletmes maakte hij door een afgedankt dik broodmes zolang dagen dagen achtereen op een slijpsteen te slijpen, dat het buigzaam was en zijn ene wijsvinger tengevolge van het voortdurend krampachtig drukken nog een week helemaal krom stond.
Een van de waslijn op zolder gehaalde schort van zijn zuster werd verknipt en op een houten raam gespannen; zo verkreeg hij zijn eerste ”doek”.
De rest van de nog bijna nieuw schort werd zorgvuldig weggedaan, en hij heeft ons vaak vermaakt door de verdwaasde gesprekken na te doen (hij kon meesterlijk imiteren) tussen zijn moeder en zuster, die maar niet maar niet konden begrijpen waar dat ding toch gebleven kon zijn.
Hij heeft het ze nooit verteld, en tenzij zijn zuster het op dit moment leest, weet ze het nu nog niet.
Naderhand kreeg hij enige leiding van de Asser schilder Louis Krans van Roesing en van de Belg Van den Drieche.
Dit alles in zijn vrije tijd wel te verstaan, want daarnaast moest hij aan het voor hem prozaïsche productieproces van het evonomich leven deelnemen.
Zo is hij een korte tijd jongmaatje geweest bij een huisschilder, slechts enige weken. In Assen werd toen toen een schilderijententoonstelling gehouden, echter op een zaterdag.
Nu kende men in die tijd nog niet algemeen de vrije zaterdagmiddag. Zo gebeurde het dat de patroon hem ’s maandagsnorgens vroeg, waar hij die zaterdagmiddag geweest was.
“Op de tentoonstelling”, was het laconieke antwoord.
“Dus jòuw werk gaat vóór mijn werk? vroeg de baas verder.
Hart grondig kwam er toen uit:
“Ja!
Mijn werk gaat voor" ,waarop de baas reageerde met:
"Donder dan meteen maar op!”
Alleen bij het etaleren kon hij zijn artistieke neiging nog een beetje uitleven.
Eenmaal had hij met verschillende gekleurde soorten vogelzaad op een stuk karton een enorme haan en een kip gemaakt in de etalage.
De vrouw van de eigenaar riep toen ze het zag verbaasd uit:
“Maar Hendrik, jongen, heb je dat zo mooi gedaan!”
En de hele buurt kwam natuurlijk kijken.
Hier werd hij gemarteld met met langwerpige kasboeken, waarin hij grote rijen verschrikkelijke getallen foutloos moest optellen.
Meestal midden onder de telling kwam dan de kortgebouwde baas binnenvliegen, die riep: “Hendrik, schrijf vlug even op:
Voor Sietsema, 12 pond grauwe erwten, 10 pond bruine bonen, 8 en half pond capucijners, 15 pond………, hoeveel kost dat bij elkaar?”
Volgens zeggen van mijn vader heeft er nooit een telling direct geklopt.
Het verlangen daarnaar, dat altijd uit zijn enthousiaste verhalen sprak, kwam in de laatste periode van zijn leven in verdubbelde mate weer naar boven.
Hoe vaak hebben we hem niet aan zijn bureau met zijn agenda’s voor zich zien zitten mijmeren over die tijd.
Dan zei hij opeens:
“Vandaag is het precies zoveel jaren geleden, dat ik met mijn vader op een stralende zondagmorgen uit de kerk tussen de zonnige korenvelden en de weilanden liep.
Uit de verte de aanwaaiende klanken van het klokgebeier en vlakbij het gezoem van bijen en hommels.
Een overweldigende indruk, die ik nooit zal vergeten.
Maar het is voorbij, voorbij………
Hij kon er niet over uit, dat het het jonge verouderde en dat op deze aarde al het schone gedoemd was te verdwijnen.
Vaak hadden we het daarover, maar de blijdschap kwan terug als we over de hemel spraken, waar niemand meer zal vergrijzen en waar alles rein, alls welluidend zal blijven.
In die tijd heeft hij weinig geschilderd, daar toen een slepende en slopende ziekte zijn lichaam aantastte, waardoor hij te moe was om een kopje koffie naar zijn mond te brengen, ja, zelfs voor het uitspreken van de letter r kon hij zijn tong niet meer voldoende bewegen.
Toen hij eens bij het beklimmen van de trap achterover was geslagen met zijn hoofd tegen de vloer, zei hij na de daaropvolgende urenlange bewusteloosheid, telkens als men hem iets vroeg.
“Wat God doet, is welgedaan”
In die donkere periode is hij omstreeks 1930 met zijn gezin in Kampen komen wonen.
Na enige jaren trad er plotseling een snelle verbetering op in zijn lichamelijke toestand en kon hij hij weer naar buiten.
Toe brak de tweede gelukkige periode voor hem aan.
In die tijd kocht hij een roeibootje, waarmee wij talloze keren er opuit trokken, meestal naar het Ganzediep.
Het zachte schuren van de flanken van ons schuitje langs de bladen van de waterlelie en gele plomp accentueerde de rust van de omgeving.
Een roze zwanebloem en een lis gluurden uit het riet.
En ja, een eindje verder op een lange houten paal tussen de granietstenen van een krib zat er een, die bij onze nadering wegwiekte.
“Mmmmm, wat prachtig hier; dit moet ik schilderen!”
Deze studies van ongeveer anderhalve vierkante decimeter werden thuis uitgewerkt tot schilrijen.
Met een afkeer van alles wat zich door bizarheid aan de aandacht wilde opdringen, zocht hij de schoonheid in het alledaagse, waar men doorgaans achteloos aan voorbijgaat, bloeiende gele brem in juichend zonlicht, een zware loodgrijze regenlucht boven een eiland, een stilleven met de glans van een koperen ketel, een waterpartij.
Mauve en Maris (Willem) van de Haagse school waren zijn favorieten.
Maar als men hem nieuwsgierig vroeg:
“Is dit nu impressionisme?” antwoordde hij met enige tegenzin:
“Noem het zo, als u wilt, maar hoe vindt u het?”
Hij analyseerde niet, maar wilde steeds het geheel zien.
Hij benaderde de kunst niet van de intellectuele theoretische zijde, maar van de praktische kant.
“Bij een mooi schilderij ga je niet gewichtig zitten praten , je moet het zien! Muziek kun je ook niet ruiken, dat moet je hóren!”
Soms hield hij onder het bidden ineens op; na het amen zei hij dan:
“Ja, ik moest even ophouden, ik zag zo’n bijzonder mooi schilderij; even een schetsje van maken”.
“Ik ben altijd blij als ik ’s maandags weer aam mijn werk mag”.
Zingend stond hij steeds voor zijn ezel.
Niet dat hij niet graag over geestelijke dingen sprak, integendeel.
Meermalen werden in de grote, gezellioge huiskamer de gesprekken o. a. met theologische studenten tot diep in de nacht voortgezet, maar de nadruk lag niet op de dogmatische theoriën, waarbij het hart gevaar loopt koud te blijven. Hij wilde praktisch zijn en Gods hand zien in alle dingen des dagelijkisen levens.
“Dit is het nerkwaardigste portret dat ik heb getekend.
Mijn vader was driftig en kortaangebonden, en kon daarom niet lang stilzitten. Daardoor heb ik zijn hele leven nooit gelegenheid gehad eens een tekening van hem te maken.
Maar toen hij eens een paar dagen bij ons gelogeerd
De volgende morgen, toen hij zou vertrekken, is hij in alle vroegte onverwachts overleden.
En dan eindigde hij altijd met te zeggen;
Ik beschouw het als een vriendelijkheid van God, dat hij me dit aandenken aan mijn vader op de laatste dag van diens leven heeft geschonken!
Zo schreef hij in zijn brieven:
Ik heb even een eindje gewandeld.
Oudestraat tot de Plantage.
’t Viel me mee, maar ik word oud en gebogen.
Als ik me zie in de etalages …….een oud mannetje……o wat erg ……maar de zon scheen…..”
Het was voor ons alles even vreemd, dit toeven op de grenzen van tijd en eeuwigheid.
“Zijn we dan niet in de hemel?
…… Maar ik hoor duidelijk de klok tikken”.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door zijn door de dood Zijns Zoons, zullen wij, veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dát niet alleen, maar wij Christus, door wie wij nu verzoening ontvangen hebben.
Ik citeer nog eens uit zijn brieven:
“O wat is het heerlijk dat kleine goed te zien opgroeien.
Alles is even lief aan die kleintjes.
Als je geen kinderen hebt, dan weet je eigenlijk niet volledig wat het leven is en begrijp je niet, hoeveel je van je kinderen kunt houden.
Wonderlijke leven.
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.
Wat kun je zoiets nu begrijpen, als je zelf een kind hebt.
Wat wordt zijn woord er rijker door.
Tenminste zo is het mij gegaan.
En dan te bedenken, dat God Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar heeft laten doodmartelen aan ’t kruis voor zondaren, om ons een eeuwig leven te geven………..ja, daar houdt alle denken op en zwijgen we in verstomde , sprakeloze aanbidding”
Maar jij bleef maar staan …….wachten …..en eindelijk zei je:
e-mailadres Jan Thijs de Haan
janthijsdehaan@gmail.com
Gelezen:
Afgelopen winter organiseerde de Historische Vereniging Middelstum een cursus op Ewsum: Geschiedenis van Groningen en haar taal.
Docenten:
Fré Schreiber en Kees Reinders.
Op de laatste cursusavond stelde Fré voor om samen een boekwerkje in het Gronings te maken, ze hadden nu zoveel geleerd, dat moest toch mogelijk zijn?
Een boekje met korte verhalen en die mochten overal over gaan, het liefst over Middelstum.
Iedereen was enthousiast, dat inleveren verliep goed, maar toen kwam corona.
We kregen een plan:
Men heeft nu iets meer vrije tijd, daarom mag iedereen meedoen, ook al is hij/zij geen cursist.
Bedankt Jan Thijs. Uitgeveri Jan Haan gaf elk jaar een catalogus uit met zondagsschoolboekjes. Ik zie ze nog liggen thuis. Heb je daar iets van?Groutnis
Tot mijn 60ste heb ik gewerkt op een paaz afdeling. Een afdeling met comorbiditeit,dus zowel lichamelijke als geestelijke problemen. Toen ik bijna 61 jaar was ben ik weer gaan werken op oproepbasis tot 68 jaar. Maar even terug in de tijd.
Toen ik 23 jaar was werd ik met een acute psychose opgenomen
Gedurende een half jaar.
( hulp en heil ) Later werd mij bekend dat iemand een suikerklontje met lsd aan mij had gegeven. In deze periode heb ik veel over mijzelf geleerd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven en een film erover maken zou een topper worden met een inkijk in de psychiatrie van de jaren 60.(one flew over the cocucsnest ) ik zoek nog iemand met wie ik het verhaal op papier kan zetten. In 1981 ben ik getrouwd met Janny Dorenbos. We hebben geen kinderen, Ik zit op veel koren zowel klassiek als modern en schilder veel. We wandelen en fietsen veel en hebben veel gereisd en zijn kunst liefhebbers. Vorig jaar heb ik al in februari corona gehad en gelukkig net niet op de IC Terecht gekomen, Echt een verhaal op zich.
THIJS
In 1970 eindelijk klaar met die vreselijke kweekschool.
Getrouwd en vier jaar onderwijzer geweest in Stadskanaal. Daarna vier jaar hoofd van een kleine lagere school in Niebert. In 1978 hoofd van een grotere school in Middelstum, waar ik nog woon. In 1988 erg overspannen geraakt. I kwas geen manager, meer een creatieve schoolmeester. Toe ben ik er maar mee gestopt en heb me bezig gehouden met de Groninger streektaal. Als publicist, maar ook voor rtv Noord enz. Dat doe ik nog steeds een beetje. Die overspannen tijd was heel vervelend.
Psychit gaat het nog met en handleiding.
Een ander ziet en merkt dat niet. Nog steeds getrouwd met Harmy, twee dochters, vier kleinkinderen. Naast Belafonte nog steeds liefhebber van de muziek van Bob Dylan en Leonard Cohen. Jongejonge, die herinneringen, dat hak er dan wel weer in. Hartelijke groet Fré


.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)



Reacties
Een reactie posten