Fré Schreiber, bekende van broer ThijsTeunis

 Moi Jan Thijs


Een papieren brief, ik kon je e-mail niet vinden, maar je adres wel.

Ik ken je een beetje, maar ik ken je broer Thijs beter.

Daar zat ik bij in de klas op de Bavinck-ulo in Groningen en in de eerste klas van de Christelijke Kweekschool.

Ik ben wel eens bij jullie thuis geweest op Thijs zijn verjaardag in Groenedaal in Groningen.

Hij was net als ik toen een fan van de zaterdag Harry Belafonte.

Dat vergeet je niet weer.


Maar, waarom ik je schrijf.

In 1949 kwam bij uitgever Jan Haan in Groningen een zondagsschoolboekje uit met de titel DE DOLLE JONKER.

Dat ging over de watergeus uit ons dorp Middelstum Barthold Entens.

Er was altijd veel vraag naar het boekje.

Nu ben ik van plan dat boekje in het Gronings te vertalen.

Maar ik wil het wat breder trekken.

Ik wil ook iets vertellen over de schrijver, de illustrator, de zondagsschool,  de boekjes en de uitgever.

Ik kan wel het een ander vinden over Jan Haan op internet, maar jij hebt zoveel geschreven, daar heb je vast eens iets over gepubliceerd.

Als dat zo is, zou ik je willen vragen, of ik dat dan mag gebruiken.

Natuurlijk met bronvermelding.

Dat zou mooi zijn.

Daar wordt het boekje rijker van.


Met vriendelijke groeten en hartelijk dank.


Fré Schreiber

fcschreiber@hetnet.nl

Ploegersweg 11, 9991CA, Middelstum



Titel: De dolle jonker

Auteur: H. Hofman

Illustrator: Henk Poeder

Uitgever: Jan Haan N.V., Groningen

Henk Poeder Illustrator












Henk Poeder illustreerde het boek 'DE DOLLE JONKER'


HET KOLENSCHIP VAN VENLO

Jan Haan N.V. Groningen

illustraties H.K. Poeder

Voorbeeld uit "Het kolenschip van Venlo"

Het verhaal over POEDER

HENK POEDER 

IN MEMORIAM
(20 april 1897- 9 december 1958)

"Ga je vanmiddag mee in de roeiboot naar Ganzediep?”
Deze vraag heb ik vaak van mijn vader gehoord, op zonnige zomerden in het bleekgetinte herfstseizoendagen. 
En dan zwierven wij de rivier op, over de wijdte van het water onder een Hollandse wolkenhemel – op de achtergrond het vergrijzend silhouet van de stad met haar brug en karakteristieke torens. 
Het verwijderend stadsrumoer in de verte werd doorklonken met het zacht geklots van het water tegen de boeg, totdat we alleen  dit nog hoorden en her ruisen van de wind in het riet. Zo werd de sfeer zwanger, waaruit schilderijen  geboren werden.
Dit is een greep uit de tweede gelukkige periode van zijn leven,  toen de zomers altijd zonnig schenen.

De eerste gelukkige periode was zijn jeugd. 
Dikwijls zei hij: 
“Je jeugd, dat is de mooiste tijd van je leven, als je nog onbezorgd met je vader kunt wandelen”
Talloze avonturen heeft hij ons over zijn jonge  jaren verteld.  
Opgevoed in een klein Drents gezin, waar men het omtrent de eeuwwisseling niet breed had,   was hij er al  vroeg mee bekend, dat een dubbeltje verscheidene malen werd omgekeerd  vóór het uitgegeven werd. 
Dat betekende ook, dat betekende ook, dat de ouders  aan de wens van hun zoon om schilder te worden slechts twijfelachtige waarde toekenden. 
Zij wisten heel goed, dat voor de  bevrediging  van  de levens behoeften een prozaïscher beroep betere kansen gaf.
De verschijning in Assen van een Franse schilder, die als Lamech twee vrouwen had, bracht de schilderkust in de calvinistische ogen zijn der ouders nagenoeg in discrediet. 
Evenwel kwamen zij hem in zover aan zijn verlangen  tegemoet, dat hij knechtje mocht worden bij een huis- en decoratieschilder, waar hij een kwartje in de week verdiende.

Van dit kwartje per week mocht hij zelf een stuiver houden. 
Hiervan kocht hij telkens voor een halve stuiver zijn eerste olieverven en penselen. Het andere materiaal vervaardigde hij zelf. 
Een palet sneed hij uit een dunne plank en een paletmes maakte hij door een afgedankt dik broodmes zolang dagen dagen achtereen op een slijpsteen te slijpen, dat het buigzaam was en zijn ene wijsvinger tengevolge van het voortdurend krampachtig drukken nog een week helemaal krom stond. 
Een van de waslijn op zolder gehaalde schort van zijn zuster werd verknipt en op een houten raam gespannen; zo verkreeg hij zijn eerste ”doek”. 
De rest van de nog bijna nieuw schort werd zorgvuldig weggedaan, en hij heeft ons vaak vermaakt door de verdwaasde gesprekken na te doen (hij kon meesterlijk imiteren) tussen zijn moeder en zuster, die maar niet maar niet konden begrijpen waar dat ding toch gebleven kon zijn. 
Hij heeft het ze nooit verteld, en tenzij zijn zuster het op dit moment leest, weet ze het nu nog niet.


Zo werden de eerste moeizame schreden op het pad der kunst gezet.
Naderhand kreeg hij enige leiding van de Asser schilder Louis Krans van Roesing en van de Belg Van den Drieche.
Dit alles in zijn vrije tijd wel te verstaan, want daarnaast moest hij aan het voor hem prozaïsche productieproces van het evonomich leven deelnemen.
Zo is hij een korte tijd jongmaatje geweest bij een huisschilder, slechts enige weken. In Assen werd toen toen een schilderijententoonstelling gehouden, echter op een zaterdag.
Nu kende men in die tijd nog niet algemeen de vrije zaterdagmiddag. Zo gebeurde het dat de patroon hem ’s maandagsnorgens vroeg, waar hij die zaterdagmiddag geweest was.
“Op de tentoonstelling”, was het laconieke antwoord.
“Dus jòuw werk gaat vóór mijn werk? vroeg de baas verder.
Hart grondig kwam er toen uit:
“Ja!
Mijn werk gaat voor" ,waarop de baas reageerde met:
"Donder dan meteen maar op!”
Een andere keer was hij winkelbediende annex loopjongen in een kruidenierszaakje, waar hij stroop moest afwegen of spek snijden.
Alleen bij het etaleren kon hij zijn  artistieke neiging  nog een beetje uitleven.
Eenmaal had hij met verschillende gekleurde soorten vogelzaad op een stuk karton een enorme haan en een kip gemaakt in de etalage.
De vrouw van de eigenaar riep toen ze het zag verbaasd uit:
“Maar Hendrik, jongen, heb je dat zo mooi gedaan!”
En de hele buurt kwam natuurlijk kijken.
Dan weer was hij bediende op het kantoor van een eenvoudige handelszaak.
Hier werd hij gemarteld met met langwerpige kasboeken, waarin hij grote rijen verschrikkelijke getallen foutloos moest optellen.
Meestal midden onder de telling kwam dan de kortgebouwde baas binnenvliegen, die riep: “Hendrik, schrijf vlug even op:
 Voor Sietsema, 12 pond grauwe erwten, 10 pond bruine bonen, 8 en half pond capucijners, 15 pond………, hoeveel kost dat bij elkaar?”
Volgens zeggen van mijn vader heeft er nooit een telling direct geklopt.

Ondanks deze moeilijkheden of misschien juist dank zij deze moeilijkheden en de overwinning daarop vond hij zijn jeugdjaren  de mooiste tijd van zijn leven.
Het verlangen daarnaar, dat altijd uit zijn enthousiaste verhalen sprak, kwam in de laatste periode van zijn leven in verdubbelde mate weer naar boven.
Hoe vaak hebben we hem niet aan zijn bureau met zijn agenda’s voor zich zien zitten mijmeren over die tijd.
Dan zei hij opeens:
 “Vandaag is het precies zoveel jaren geleden, dat ik met mijn vader op een stralende zondagmorgen uit de kerk tussen de zonnige korenvelden en de weilanden liep.
Uit de verte  de aanwaaiende klanken van het klokgebeier en vlakbij het gezoem van bijen en hommels.
Een overweldigende indruk, die ik nooit zal vergeten. 
Maar het is voorbij, voorbij……… 
Hij kon er niet over uit, dat het het  jonge verouderde en dat op deze aarde al het schone gedoemd was te verdwijnen. 
Vaak hadden we het daarover, maar de blijdschap kwan terug als we over de hemel spraken, waar niemand meer zal vergrijzen en waar alles rein, alls welluidend zal blijven.


Omstreeks 1920, toen hij inmiddels verhuisd was naar Soest, kreeg hij tekenlessen van de zeer begaafde Ising.
In die tijd heeft hij weinig geschilderd, daar toen een slepende en slopende ziekte zijn lichaam aantastte, waardoor hij te moe was om een kopje koffie naar zijn mond te brengen, ja, zelfs voor het uitspreken van de letter r kon hij zijn tong niet meer voldoende bewegen.
Toch glansde er ook in die duisternis het licht, slechts te grijpen en te begrijpen voor wie ogen heeft om te zien.
Toen hij eens bij het beklimmen van de trap achterover was geslagen met zijn hoofd tegen de vloer, zei hij na de daaropvolgende urenlange bewusteloosheid, telkens als men hem iets vroeg.
 “Wat God doet, is welgedaan”

In die donkere periode is hij omstreeks 1930 met zijn gezin in Kampen komen wonen.
Na enige jaren trad er plotseling een snelle verbetering op in zijn lichamelijke toestand en kon hij hij weer naar buiten.
Toe brak de tweede gelukkige periode voor hem aan.
In die tijd kocht hij een roeibootje, waarmee wij talloze keren er opuit trokken, meestal naar het Ganzediep.
Dikwijls voeren wij dicht onder de oever, waar riet en biezen wiegelden.
Het zachte schuren van de flanken van ons schuitje langs de bladen van de waterlelie en gele plomp accentueerde de rust van de omgeving.
Een roze zwanebloem en een lis gluurden uit het riet.

“Kijk, een aalscholver!”
En ja, een eindje verder op een lange houten paal tussen de granietstenen van een krib zat er een, die bij onze nadering wegwiekte.
Bij een stil plekje schoot het bootje naar de kant en legden wij aan.
“Mmmmm, wat prachtig hier; dit moet ik schilderen!”
Tientallen, misschien wel meer dan honderd studies hebben zo hun leven te danken.
Deze studies van ongeveer anderhalve vierkante decimeter werden thuis uitgewerkt tot schilrijen.
Hoewel hij in zijn jeugd enige leiding had gehad, was hij als schilder toch eigenlijk autodidact. 


Zijn techniek perfectioneerde zich meer en meer, en wijzigde zich in de latere jaren in de richting van een vlotte, moderne ietwat schetsmatige stijl
Hij was geen schilder van wat men tegenwoordig problemen pleegt te noemen, maar hij zag het wonder in in het gewone, in het ongecompliceerde.
Met een afkeer van alles wat zich door bizarheid aan de aandacht wilde opdringen, zocht hij de schoonheid in het alledaagse, waar men doorgaans achteloos aan voorbijgaat, bloeiende gele brem in juichend zonlicht, een zware loodgrijze regenlucht boven een eiland, een stilleven met de glans van een koperen ketel, een waterpartij. 
Mauve en Maris (Willem) van de Haagse school waren zijn favorieten.
Maar als men hem nieuwsgierig vroeg: 

“Is dit nu impressionisme?” antwoordde hij met enige tegenzin: 
“Noem het zo, als u wilt, maar hoe vindt u het?” 
Hij analyseerde niet, maar wilde steeds het geheel zien. 
Hij benaderde de kunst niet van de intellectuele theoretische zijde,  maar van de praktische kant. 
“Bij een mooi schilderij ga je niet gewichtig zitten praten , je moet het zien! Muziek kun je ook niet ruiken, dat moet je hóren!”


Even intens als hij de blijdschap over de schoonheid beleefde, ervoer hij de pijnlijke onwetendheid en de weinige kunstzinnigheid der mensen. 
Hoewel dit hem zeer bedroefde, zag hij daarin toch ook de humor blinken. Eens liet hij hij aan de bezoeker een sneeuwlandschap zien. 
Deze zei met een intonatie van plotseling begrijpen:
“Aah. Dat is nou een stilleven, dát is nou stilleven”. 
Een andere keer toonde hij  met enige trots zijn originele Maris aan een lijstenhandelaar die meende verstand van kunst te hebben. 
Bewonderend zei de man: “Ja warempel, een echte Pieter Marits”. (1)



Hij leefde in zijn werk, hij ging daar helemaal in op. 
Soms hield hij onder het bidden ineens op; na het amen zei hij dan:
“Ja, ik moest even ophouden, ik zag zo’n bijzonder mooi schilderij; even een schetsje van maken”.
En ik zie hem nog lachen, toen een van de studenten hem heet van de naald kwam vertellen, dat K.S. op college had gezegd dat er in de hwemel ook weer geschilderd zou wordem.
De zondag, waarop hij niet mocht schilderen, vond hij de vervelendste dag van de week. 
“Ik ben altijd blij als ik ’s maandags weer aam mijn werk mag”. 
Zingend stond hij steeds voor zijn ezel. 
Niet dat hij niet graag over geestelijke dingen sprak, integendeel. 
Meermalen werden in de grote, gezellioge huiskamer de gesprekken o. a. met theologische studenten tot diep in de nacht voortgezet, maar de nadruk lag niet op de dogmatische theoriën, waarbij het hart gevaar loopt koud te blijven. Hij wilde praktisch zijn en Gods hand zien in alle dingen des dagelijkisen levens.
Wanneer hij b.v. het door hem getekende portret van zijn vader liet zien, verzuimde hij niet erbij te vertellen.
“Dit is het nerkwaardigste portret dat ik heb getekend.
Mijn vader was driftig en kortaangebonden, en kon daarom niet lang stilzitten. Daardoor heb ik zijn hele leven nooit gelegenheid gehad eens een tekening van hem te maken. 
Maar toen hij eens een paar dagen bij ons gelogeerd


Was, hebben we het nog eens geprobeerd en is het gelukt, voor het eerst.
De volgende morgen, toen hij zou vertrekken, is hij in alle vroegte onverwachts overleden. 
En dan eindigde hij altijd met te zeggen;
Ik beschouw het als een vriendelijkheid van God, dat hij me dit aandenken aan mijn vader op de laatste dag van diens leven heeft geschonken!



Deze gelukkige tijd is wel zijn vruchtbaarste schilderperiode geweest. 
Hoewel hij in die tijd lichamelijk aardig goed was en vaak naar buiten ging om te vissen of te schilderen, is hij nooit meer geheel normaal gezond geweest.
Hij was vaak en snel vermoeid. 
En naarmate de jaren voortschreden ging zijn lichamelijke toestand allengs achteruit, een gevolg van zijn vroegere ziekte. 
Langzaam maar onafwendbaar namen zijn krachten af, en hij wist dat.
Aanvankelijk kwam hij nog wel eens buiten, maar de afstanden werden steeds kleiner. 
Zo schreef hij in zijn brieven:
“Het was vanochtend mooi weer. 
Ik heb even een eindje gewandeld. 
Oudestraat tot de Plantage.
’t Viel me mee, maar ik word oud en gebogen.
Als ik me zie in de etalages …….een oud mannetje……o wat erg ……maar de zon scheen…..”
En later: 
“Ik heb nog even tot de Bovenkerk gelopen en weer terug”.
En nog later: 
“We zijn gisteravond op bezoek geweest aan de overkant”. 
Tenslotte kwam hij helemaal niet meer buiten en in die laatste reeks van jaren heeft hij aan den lijve gevoeld, wat zijn ouders bij zijn doop hadden beleden:…….dat dit leven niet anders is dan een gestadige dood.
Tijdens de laatste maanden van zijn leven heeft hij nog een schilderstukje gemaakt. 
Een melancholiek riviergezicht in de herfst met een paar eenzame rietpluimen op de voorgrond. 


Hij heeft gevoeld dat dit zijn laatste werk zou zijn, want hij zei ervan: 
“Mijn laatste groet”.
Hoewel hij veel over geestelijke dingen sprak, was hij toch in zijn laatste jaren somber gestemd. 
Hij wist wel dat de grote heerlijkheid zou komen, maar de druk van het langzaam sterven versomberde toch zijn aardse leven, dat hij hartstochtelijke liefhad. 
In zijn laatste brieven schreef hij: 
"Ach man, wat is het leven mooi, hé!
Jullie staan nog aan ’t begin. 
Wij gaan de neergang. 
Dat valt me niet mee. 
Ja, ik weet het wel, de grote opgang komt later”.
Hij was schilder in hart en nieren en kon niet loskomen van zijn werk. 
Hij hing met elke levensvezel aan de aarde en haar schoonheid. 
Des te meer verwonderlijk was zijn reactie op de laatste dag van zijn leven, toen ik bij mijn komst mijn spijt erover uitdrukte, dat ik niet de reproducties van enige schilderijen had meegenomen, die ik voor hem gekocht had. 
“Och" , zei hij, “dat is allemaal aards, daar wil ik nu niet meer over praten”. 
Plotseling waren de banden geslaakt
Die ochtend was hij ruim een half uur in visionaire toestand geweest en had “onuitsprekelijk schone dingen in de hemel!” gezien, waar hij vol van was en telkens van vertelde. 
Hij onderbrak zich echter steeds, omdat hij niet kon begrijpen, dat hij weer  “teruggetuimeld was op aarde”, zoals hij het zelf uitdrukte.
Het was voor ons alles even vreemd, dit toeven op de grenzen van tijd en eeuwigheid.
“Zijn we dan niet in de hemel? 
…… Maar ik hoor duidelijk  de klok tikken”.


Toch bleef hij verzekerd in zijn geloof, want later op de dag zei hij: 
"Straks ga ik weer daarheen” 
En zo was het. In de vroege ochtend van de volgende dag is hij in slaap ontslapen. 
Zijn werk was gedaan. 
Althans hier beneden

De tekst, waarvan hij de vorige dag een fragment aanhaalde, las ik de andere ochtend in zijn geheel, bij het opstellen van de overlijdingsaankondiging, en het was alsof ik hem van verre hoorde spreken: 
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door zijn door de dood Zijns Zoons, zullen wij, veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dát niet alleen, maar wij Christus, door wie wij nu verzoening ontvangen hebben.

Wie een overeenkomst wil vinden tussen zijn werk en zijn moeilijk leven, zal lang moeten zoeken, maar wel is het verband er met zijn geestelijk leven en de praktische kinderlijke eenvoud daarvan.
Ik citeer nog eens uit zijn brieven:
“O  wat is het heerlijk dat kleine goed te zien opgroeien. 
Alles is even lief aan die kleintjes. 
Als je geen kinderen hebt, dan weet je eigenlijk niet volledig wat het leven is en begrijp je niet, hoeveel je van je kinderen kunt houden. 
Wonderlijke leven. 
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.
Wat kun je zoiets nu begrijpen, als je zelf een kind hebt. 
Wat wordt zijn woord er  rijker door.
Tenminste zo  is het mij gegaan. 
En dan te bedenken, dat God Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar  heeft laten doodmartelen aan ’t kruis voor zondaren, om ons een eeuwig leven te geven………..ja,  daar houdt alle denken op en zwijgen we in verstomde , sprakeloze  aanbidding”


Een ander citaat:
“Jij was vroeger ook een rare.
Als hij wat gedaan had, wat niet mocht, dan zei ik: 
"Ik zal het dan maar weer door de vingers zien".  

Maar jij bleef maar staan …….wachten …..en eindelijk zei je:
Nou, doe het dan!.....
Ik direct met mijn uitgespreide vijf vingers voor mijn gezicht. 
Klaar was het. 
Afgelopen. 
’t Was vergeven. 
Zo doet God ook. 
Nog duizend keer heerlijker”.
Evenzo is zijn werk, een getuigenis van verwondering en dankbaarheid aan de Schepper van de de schoonheid in de natuur, de Schenker van het leven. 
Zijn werk blijft volkomen in overeenstemming met zijn geestdiftige uitroep op zijn laatste middag, toen we aan tafel psalm 103 zouden lezen:
 “Ja, dat is mooi, loof den Here mijn ziel!”

J. POEDER
 te 's Gravenhage

((1) Pieter Marits is de titel van een bekend jongensboek over de Zuidafrikaanse oorlog)











e-mailadres Jan Thijs de  Haan

janthijsdehaan@gmail.com


Gelezen:

Afgelopen winter organiseerde de Historische Vereniging Middelstum een cursus op Ewsum: Geschiedenis van Groningen en haar taal.

Docenten:

Fré Schreiber en Kees Reinders.

Op de laatste cursusavond stelde Fré voor om samen een boekwerkje in het Gronings te maken, ze hadden nu zoveel geleerd, dat moest toch mogelijk zijn?

Een boekje met korte verhalen en die mochten overal over gaan, het liefst over Middelstum.

Iedereen was enthousiast, dat inleveren verliep goed, maar toen kwam corona.

We kregen een plan:

Men heeft nu iets meer vrije tijd, daarom mag iedereen meedoen, ook al is hij/zij geen cursist.

Bedankt Jan Thijs. Uitgeveri Jan Haan gaf elk jaar een catalogus uit met zondagsschoolboekjes. Ik zie ze nog liggen thuis. Heb je daar iets van?
Groutnis
Fré


FRÉ
Na een blauwe maandag kweekschool heb ik ook een blauwe maandag

Op de academie Minerva gezeten.

Eigenlijk wilde ik het huis uit.

Als jongste telg van 11 kinderen had ik nooit een plekje voor mijzelf.

Toen kreeg ik een oproep voor de militaire dienst.

Hier heb ik anderen half jaar doorgebracht als intendance soldaat.

Ook in Appingedam gezeten op een repatrianten centrum met Javanen en Molukkers etc

Daarna wilde ik maatschappelijk werker worden ,maar ik had een te lage opleiding.

Als ik als b verpleegkundige zou gaan werken zou ik parttime de M W opleiding

Kunnen volgen.

Deze opleiding was verschrikkelijk.

Veel studiegenoten aan de drugs en heel zweverig allemaal en daarom gestopt.

Na de B verpleging de A verpleging gedaan. Daarna diverse jaren op de hemolyse afdeling gewerkt.

In deze periode is een zus van mij overleden aan kanker aan de maag op 45 jarige leeftijd.

Door nare ervaringen in het zieken huis ben ik weer de psychiatrie ingegaan.

Diverse opleidingen gedaan/management en diverse applicaties.

Volgende keer volgt de rest.

Groeten van thijs

Tot mijn 60ste heb ik gewerkt op een paaz afdeling. Een afdeling met comorbiditeit,dus zowel lichamelijke als geestelijke problemen. Toen ik bijna 61 jaar was ben ik weer gaan werken op oproepbasis tot 68 jaar. Maar even terug in de tijd.

Toen ik 23 jaar was werd ik met een acute psychose opgenomen

Gedurende een half jaar.

( hulp en heil ) Later werd mij bekend dat iemand een suikerklontje met lsd aan mij had gegeven. In deze periode heb ik veel over mijzelf geleerd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven en een film erover maken zou een topper worden met een inkijk in de psychiatrie van de jaren 60.(one flew over the cocucsnest ) ik zoek nog iemand met wie ik het verhaal op papier kan zetten. In 1981 ben ik getrouwd met Janny Dorenbos. We hebben geen kinderen, Ik zit op veel koren zowel klassiek als modern en schilder veel. We wandelen en fietsen veel en hebben veel gereisd en zijn kunst liefhebbers. Vorig jaar heb ik al in februari corona gehad en gelukkig net niet op de IC Terecht gekomen, Echt een verhaal op zich.

THIJS


RTV Noord maakte een opmerkelijke indruk van het ongeluk bij Borger van de kweek in Groningen.
In dit verhaal traden Fré Schreiber met Jan Thijs de Haan als Kwekelingen op.

THIJS
In 1970 eindelijk klaar met die vreselijke kweekschool.

Getrouwd en vier jaar onderwijzer geweest in Stadskanaal. Daarna vier jaar hoofd van een kleine lagere school in Niebert. In 1978 hoofd van een grotere school in Middelstum, waar ik nog woon. In 1988 erg overspannen geraakt. I kwas geen manager, meer een creatieve schoolmeester. Toe ben ik er maar mee gestopt en heb me bezig gehouden met de Groninger streektaal. Als publicist, maar ook voor rtv Noord enz. Dat doe ik nog steeds een beetje. Die overspannen tijd was heel vervelend.

Psychit gaat het nog met en handleiding.

Een ander ziet en merkt dat niet. Nog steeds getrouwd met Harmy, twee dochters, vier kleinkinderen. Naast Belafonte nog steeds liefhebber van de muziek van Bob Dylan en Leonard Cohen. Jongejonge, die herinneringen, dat hak er dan wel weer in. Hartelijke groet Fré













Reacties

Populaire posts van deze blog

Fietspad LEEK-ZUIDHORN

Foekje Dillema

Staatsieportret Koningspaar..Zuidhorn